De Lof der Zotheid
De inleiding van het werk bevat verschillende interessante gegevens, die meteen de toon van de rest van het werk zetten. Allereerst is er de begroeting aan Thomas More, de persoon aan wie het boek geschreven is. Thomas More was een Engelse humanist die een paar jaar later “Utopia” zou schrijven, over een perfecte maatschappij met een feilloos besturingssysteem. Erasmus vertelt zijn vriend dat hij dit werkje heeft geschreven als amusement, en hij draagt het op aan More (leuke woordspeling: More is Morus in het Latijn, en dit gelijkt zeer op Moria in het Grieks, wat Zotheid betekent). Na de begroeting spreekt hij voor al diegenen die zijn werk zullen bekritiseren, en zegt hen dat ze zich niet zo moeten opwinden. Ten eerste, zo zegt Erasmus, is hij niet de eerste die een lofrede schrijft. Ten tweede vraagt Erasmus zich af waarom geleerden zich niet mogen amuseren, en al de rest van de bevolking wel? Het is trouwens hier dat Erasmus al de eerste steek geeft naar zogenaamde geleerden.
Bijvoorbeeld als iemand in een uit citaten in elkaar geflanst betoog een lange lofzang op de welsprekendheid of de wijsbegeerte houdt, of een ander een lofrede op een of andere vorst neerschrijft, en een derde aanspoort om de oorlog tegen de turken te beginnen.
Ten derde zegt hij dat begaafde schrijvers altijd de vrijheid is gegeven om ongestraft de maatschappij te bekritiseren, zolang die vrijheid niet ontaardde in kwaadaardigheid. Deze vrijheid is nu echter weggenomen zegt hij, en op dat moment haalt hij venijnig uit naar de kerk:
Voorts kan men enige mensen aantreffen die de godsdienst zo op zijn kop zetten dat ze nog eerder Christus zelf ernstig zouden beledigen dan dat er ook nog maar een heel onschuldig grapje op een bisschop of vorst wordt gemaakt, vooral als dat iets heeft te maken met ‘het slijk der aarde’.
Hij heeft hier twee vliegen in een klap. Allereerst zegt hij dat de onberispelijkheid van hoog aangeschrevenen niet in vraag wordt gesteld en vervolgens merkt hij op dat deze hoog aangeschrevenen vaak geheimen hebben die ze liever niet bekend zien gemaakt worden, zeker als ze over hun geld gaan.
Ten vierde vraagt Erasmus zich af of je bij een beoordeling van een persoon zonder diens naam te noemen, nog kwetst of dat je eigenlijk gewoon vermaant. In diezelfde context zegt hij ook dat wanneer je niemand ontziet (dus wanneer je iedereen beoordeelt), je niemand viseert en niemand zich aangesproken kan voelen.
Uit deze inleiding kunnen we verschillende zaken afleiden. Ten eerste uit het feit dat Erasmus zegt dat hij het werkje zonder enige moeite heeft geschreven. Hieruit volgt dat of Erasmus was een zeer begenadigd schrijver om zomaar een werk te schrijven dat de geschiedenis van West-Europa mee heeft beïnvloed, of hij liegt. Indien hij werkelijk liegt is het wel komisch omdat hij dan zichzelf bespot in zijn werk, namelijk in Hoofdstuk 4, daar zegt hij dat de retoren beweren dat ze hun grootste werken spelenderwijs hebben geschreven, terwijl ze er eigenlijk dertig volle jaren aan hebben gezwoegd. Het is natuurlijk duidelijk dat Erasmus geen dertig jaar heeft gewerkt aan zijn werk (daar had hij de tijd niet voor), maar verder in zijn werk wordt het duidelijk dat hij niet vies is van een beetje zelfspot. Ten tweede kunnen we afleiden uit zijn verschillende verantwoordingen voor de ‘brutaliteit’ van zijn werk dat hij eigenlijk reacties verwachtte, en waarschijnlijk zelfs wilde uitlokken.
Na de inleiding begint Erasmus met de Lof der Zotheid. Hiervoor kruipt hij zelf in de huid van de Zotheid.
Andere boeken binnen Theologie algemeen
Bijvoorbeeld als iemand in een uit citaten in elkaar geflanst betoog een lange lofzang op de welsprekendheid of de wijsbegeerte houdt, of een ander een lofrede op een of andere vorst neerschrijft, en een derde aanspoort om de oorlog tegen de turken te beginnen.
Ten derde zegt hij dat begaafde schrijvers altijd de vrijheid is gegeven om ongestraft de maatschappij te bekritiseren, zolang die vrijheid niet ontaardde in kwaadaardigheid. Deze vrijheid is nu echter weggenomen zegt hij, en op dat moment haalt hij venijnig uit naar de kerk:
Voorts kan men enige mensen aantreffen die de godsdienst zo op zijn kop zetten dat ze nog eerder Christus zelf ernstig zouden beledigen dan dat er ook nog maar een heel onschuldig grapje op een bisschop of vorst wordt gemaakt, vooral als dat iets heeft te maken met ‘het slijk der aarde’.
Hij heeft hier twee vliegen in een klap. Allereerst zegt hij dat de onberispelijkheid van hoog aangeschrevenen niet in vraag wordt gesteld en vervolgens merkt hij op dat deze hoog aangeschrevenen vaak geheimen hebben die ze liever niet bekend zien gemaakt worden, zeker als ze over hun geld gaan.
Ten vierde vraagt Erasmus zich af of je bij een beoordeling van een persoon zonder diens naam te noemen, nog kwetst of dat je eigenlijk gewoon vermaant. In diezelfde context zegt hij ook dat wanneer je niemand ontziet (dus wanneer je iedereen beoordeelt), je niemand viseert en niemand zich aangesproken kan voelen.
Uit deze inleiding kunnen we verschillende zaken afleiden. Ten eerste uit het feit dat Erasmus zegt dat hij het werkje zonder enige moeite heeft geschreven. Hieruit volgt dat of Erasmus was een zeer begenadigd schrijver om zomaar een werk te schrijven dat de geschiedenis van West-Europa mee heeft beïnvloed, of hij liegt. Indien hij werkelijk liegt is het wel komisch omdat hij dan zichzelf bespot in zijn werk, namelijk in Hoofdstuk 4, daar zegt hij dat de retoren beweren dat ze hun grootste werken spelenderwijs hebben geschreven, terwijl ze er eigenlijk dertig volle jaren aan hebben gezwoegd. Het is natuurlijk duidelijk dat Erasmus geen dertig jaar heeft gewerkt aan zijn werk (daar had hij de tijd niet voor), maar verder in zijn werk wordt het duidelijk dat hij niet vies is van een beetje zelfspot. Ten tweede kunnen we afleiden uit zijn verschillende verantwoordingen voor de ‘brutaliteit’ van zijn werk dat hij eigenlijk reacties verwachtte, en waarschijnlijk zelfs wilde uitlokken.
Na de inleiding begint Erasmus met de Lof der Zotheid. Hiervoor kruipt hij zelf in de huid van de Zotheid.
Andere boeken binnen Theologie algemeen

Auteur: 